Home » Korte Verhalen » Archief » Jaar 2012 » Januari 2012

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Dit zou ik dus voor een tweede keer nooit meer doen, niet alleen omdat het gelukkig niet meer nodig is, maar ijzel is wél mijn vijand geworden vanaf die dag.

LEKKER DAN.DAAR LAG DE KLAPDOOS...

 

Dit was een van de eerste aanvaringen die ik had in mijn nieuwe woonplaats, hierna twijfelde ik of ik wel wilde blijven, doch het is hier zo veel leuker, ben toch maar gebleven. Komt natuurlijk ook omdat vrouwlief hier haar huis heeft. Dit onderstaand verhaal is geheel gebaseerd op de waarheid.


Regen, regen en hartstikke koud vanmorgen. Hier in Zwolle was het nog donker (ja in de rest van Nederland ook hoor) maar toen mijn vrouw wegging met haar fiets richting werk, toen bedacht ik mij dat de kliko nog naar buiten moest. Woensdag is hier niet alleen gehaktdag, doch ook het huisvuil moet naar buiten. Ik dus gauw een dikke trui aangedaan, slippers die ik normaal in de tuin aantrek en met de sleutels in de hand liep ik via de tuin naar de kliko, de grote groen bak stond gevuld en wel op mij te wachten, de kliko wilde geleegd worden en ik wilde weer naar binnen, het was stervenskoud
De achterdeur geopend, kllko in het brandgangetje gezet, deur weer op slot en vrolijk ( nou ja zeg!) naar de voorkant van het huis gelopen, hoewel gelopen, normaal een tippeltje van een minuut of twee, nu een martelgang van zeker een half uur.

Zal het even uitleggen, komt het.
Toen ik de brandgang achter ons huis doorliep met de kliko, gleed ik ineens door met mijn ene slipper, met mijn andere maakte ik wat spastische discobewegingen, ik kreeg het niet echt voor elkaar om rechtop te blijven staan en het waren verdorie maar twee tegels waar ik op stond te breakdancen!
Ik hield de kliko stevig met twee handen vast, dat ding zat zo vol, die zou toch niet zomaar omkieperen? Dat hoopte ik althans. Gelukkig bleef Meneer Kliko staan en ik hing er daar een beetje aan.
Mijn benen deden zeer en ik besefte dat het ineens door die regen spekglad was geworden, had ook nog helemaal geen nieuws op de televisie gezien, laat staan het weerbericht. Ik dacht alleen een beetje regen, ja me sussie op een houtvlot, het was ijzel.


En niet zo’n beetje ook. Ik kreeg mijn lichaam weer in rechte loopstand en heel voorzichtig schuifelde ik richting de brandgangdeur. Wat zat dat kreng ineens veraf zeg!
Ik kreeg kramp in mijn dijbenen van het zeer voorzichtig schuifelen en mijn beide voeten deden zeer van de vorige breakdanceact. Ik moest snel naar binnen om mijn vrouw te bellen, want ik zou haar later ophalen voor een afspraak die zij had. Dat kon en moest niet doorgaan, ik kon de voordeur van ons nu niet eens halen!
Na een lange loop had ik eindelijk de kliko op de desbetreffende plaats geschoven en ikzelf schuifelde lans de huizenkant, probeerde mijn voordeur te halen. Het waren maar drie deuren, maar steeds als ik een stapje deed gleed ik gezellig richting parkeerplaats.

“Dat schiet dus lekker op”, mopperde ik in mezelf. Het was ook geen gezicht, mijn joggingbroek zakte steeds af ( de lijn hé) ik had geen sokken aan, het was erg koud en nat en ik kwam maar niet bij mijn voordeur.
Na zo’n vijf keer mijzelf te hebben afgezet van de auto’s voor de deur stond ik eindelijk bij onze eigen voordeur en met een rode kop van de inspanning en een grote glimlach om de lippen stak ik gelukzalig de sleutel in het slot.
Nee dus! Zit het nachtslot er nog op.
Ik draaide mijn hoofd om en keek naar de branddeur, wat was die weer ver.


Ik moest weer die ellenlange, gladde weg terug, zonder te vallen, geen kliko waar ik mij aan vast kon houden. Dus weer retour langs de huizenkant, via de geparkeerde auto’s mijzelf afzettend weer retour huizenkant belandde ik weer bij de deur van de brandingang.
“Als ik nou op mijn postzegel val zal niemand mij zien: bedacht ik nog terwijl ik de sleutel met een zucht in het slot stak. Ik liep de gang in en ja hoor, daar ging Lena, rechtdoor het pad op. Ik gleed toch nog zo een meter of vijf verder, heerlijk rechtdoor. Boven op mijn derrière gevallen, maar dat achterwerk kan wel wat hebben hoor en bij het opstaan had ik wat ruzie met de conifeer van de buurvrouw. Maar de gordijnen waren nog dicht bij haar en niemand had mijn glijpartij gezien.( dat denk ik dus nu)
.Hangende aan de coniferen van de buurvrouw sleepte ik mij voort, totdat ik bij mijn eigen achterdeur was, deed open en voorzichtig sleepte ik mijn toch nu wel zere lichaam naar de keukendeur, schuifelend kwam ik bij de eindstreep. De keuken, het licht van de lamp gloeide mij tegemoet. Ik zag het licht!


Binnengekomen, droogde ik mijzelf af, rende naar de telefoon en mijn vrouw belde op dat moment juist om te vertellen dat zij de afspraak verzet had omdat de ijzel ineens op kwam zetten door het land.
Was ik even blij dan. Ik vertelde haar nog maar niets van mijn lijdensweg, alles deed mij pijn. Al mijn spieren in mijn lichaam zijn vanmorgen ten volle gebruikt, zij zijn hevig in de weer geweest om mij maar rechtop in de wereld te laten staan en lopen. Maar ik heb gefaald.
Ik ben gevallen, heb vijf meter glijdend gewonnen, want dat hoefde ik dus niet meer te lopen, maar dat opstaan en die spontane lachbui van mijzelf, doordat ik vond dat ikzelf best wel belachelijk aan het dansen was met de coniferen, de lange tijd die ik nodig had om een vuilnisbak buiten te zetten, dat was het schrijven van dit stukje wel waard.
Nu mag ik alleen maar hopen dat de buren van één hoog mij niet gezien hebben die ochtend om half 8. Want achteraf gezien, ik schaamde me dood, lachwekkend was het zeker dat wel, want wees nou eerlijk. Wie zet er nou een kliko buiten op teenslippers?Juist ik dus.
Voortaan eerst maar de weerberichten afluisteren, hoe gek ik ook op de regen ben.

 

MIJN AMSTERDAM


Als ik over Amsterdam droom ben ik nog een klein onschuldige rotmeid die met iedereen lag te knokken, ja ik wilde nou eenmaal bokser worden. Maar toen ik ouder werd gingen mijn gedachten meer naar de medische kant toe, dokter of zelfs leraar in de mensologie zoals ik dat altijd blij aan mijn moeder vertelde. Dat kwam omdat ik ruim een jaar in het Israelisch Kinderziekenhuis lag met brandwonden, dus dan wil je natuurlijk dokter worden. Die wens is nooit bij mij weggegaan, zelfs doordat ik diverse opnames voor van alles en nog wat voor de kiezen kreeg bleef ik in het wit der wonderen geloven. Nu even niet hoor, maar dat is wat anders. Alle respect voor hen die altijd maar klaarstaan voor de medemens. Maar dit gaat over Mijn Amsterdam als klein kind een wondere stad met alleen maar humor. Ach toen was ik klein..

 

Ik ben er geboren en heb er de tien jaar van mijn leven genoten zoals een kind kan genieten van haar jeugd. Die jeugd werd ineens anders toen mijn vader stierf en een jaar later verhuisde het hele gezin, uitgezonderd oudste broer, naar Den Haag. Een voor mij vreemde en dure stad, een stad die ik nooit zou willen en kunnen inruilen voor mijn Amsterdam. Als kind was ik altijd bij mijn vader op het Waterlooplein, voelde mij al een koopvrouw in hart en nieren als pappa even een broodje en koffie ging halen in het koffiehuis en ik op de stal moet passen. Die stal was gewoon een groot tapijt op de grond en daar stond zijn handel, al dertig jaar, al vanaf hij uit kamp Westerbork kwam. Al vanaf dat ik mij kan herinneren was mijn vader een “voddejood”en mijn moeder gewoon een werkster. Nou en???

 

In Den Haag heb ik nooit mijn weg weten te vinden, Amsterdam zat zo in mijn hart gebakken en vond het vreselijk als wij er waren dat er zoveel in een snelle tijd veranderde. Maar dat was overal in Nederland. Moesten ze niet met hun tengels van mijn Amsterdam afblijven?
Als kind weet je niet beter, wat weet je nou van vooruitgang, je leest geen krant, je leest Suske en Wiske, de Sjors, je mag de leesmap doorfietsen, maar niet aan “De lach” komen want daar stonden foto’s in en mijn moeder vond het niet nodig dat de meiden ( wij waren met vijf meiden en 2 jongens) die rotzooi zagen.

Hoe kom ik ineens op Amsterdam en een stukje van mijn droomjeugd? Gewoon, gisteren zei mijn vrouw dat ze een dvd binnen had gehaald met de beelden over Amsterdam vlak voor en tijd en na de oorlog, het oude Amsterdam. Nou kijk ik alles van Amsterdam over vroeger met haviksogen omdat ik altijd hoop dat ik mijn vader nog ergens zie op een stukje film, of mijn Oma voordat ze naar Sobibor vertrok. Omdat mijn vader nogal eens opdook in oude boeken over Amsterdam. Omdat mijn vader een begrip was op het Waterlooplein. Omdat ik wezenloos trots op mijn vader was en in mijn hart nog ben al is hij al 47 niet meer bij mij.

 

De film vertoonde beelden van mensen die weggeramd werden zo de trein in, van de joden die de gele ster moesten opnaaien op hun kleding, van de razzia’s bij de dam, die schietpartij van Duitsers waar 19 onschuldige mensen bij omkwamen, terwijl de oorlog al beëindigd was.
Ik voelde even wat tranen langs mijn wangen en mijn vrouw kneep in mijn hand. Ik voelde de pijn van die mensen, de onmacht, de vernederingen.

 

En dan te bedenken dat dit soort van enge dingen nog steeds in de wereld plaatsvinden en dat wij als geciviliseerde mensen(?) hieraan meedoen.
Nou Johnny Jordaan ik zing nog steeds met je mee op mijn plat Amsterdams hoor:
“Geef mij maar Amsterdam!”Alhoewel mijn Amsterdam al lang niet meer van überhaupt de Amsterdammers zijn. De multiculti samenleving heeft heel wat overgenomen.

Maar wat in mijn hart zit, kunnen ze mij toch niet afnemen. Die oude beelden heb ik als het ware opgezogen voordat ze van de dvd misschien weg zouden vliegen, ik zag even een stukje jeugd dat nog voor de helft uit mijn ouwe Jodenbuurt stond, de andere helft waren ze pal na de oorlog al aan het vernieuwen. Ik ben trots op mijn Jodenbuurt, dat nu allang niet meer is. Maar de herinnering blijft---Zong Zwarte Riek dat ooit eens niet???

````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````

lachende-kikkers.large.gif

FROGGIE.


 

Een beetje troosteloos zat ik op het bankje in de tuin en volgde met mijn ogen een klein spinnetje dat als een speer heen en weer over de tegels rende. Charley onze kater had het diertje gelukkig nog niet gezien, anders was het eind van het  spinnetje in zicht.

Ik zette mijn koffie naast mij op het bankje en keek eens rond, de bloemen stonden prachtig, de vlinderboom was ook bezig met de knoppen eruit te persen, het leek overal in de tuin wel een bevallingsafdeling. Elke plant was bezig de knoppen open te persen in een warm flauw zonnetje dat voorzichtig door de lichte wolken naar beneden scheen. De warmte voelde prettig aan op mijn huid.

 

Ineens hoorde ik ergens naast mij bij onze vijver een stemmetje, een beetje pieperig ''Hé, pst, hallo, psst”. Verbaasd keek ik in het rond en toen weer naar de kant waar het geluid vandaan kwam. Ik zag niemand. Hoe kon het ook, Charley lag lekker onder de varen tegen de schutting aan te pitten en ik wist zeker dat ik alleen in mijn tuin zat.

 

''Hallo'', riep ik zachtjes voor mij uit ondertussen mijn ogen alle kanten uit laten rollen. Wist ik wat je kon verwachten. Misschien de buurvrouw? Maar nee, die had ik net aan de voorkant weg zien gaan, boodschappen doen. Wie of wat dan? En weer hoorde ik duidelijk  ''Hé, hallo, psst kom eens hier, psst,hé jij met die bril op.”

 

 Nou werd het helemaal te gek. Dus duidelijk werd ik bedoeld, want ik was degene met een bril, mijn kat Charley had er geen een, da's iets wat ik dus zeker wist.

Voorzichtig stond ik op en liep op het geluid af. Bij de vijver aangekomen stond ik stil en hoorde niets meer, totdat..''hé pssst, ik zit hier'' en onder de waterlelie kwam het hoofd van een kikker naar boven. Ik schrok me rot, een kikker die praatte? Een kikker die mij riep? Alles goed met mijzelf bedacht ik ongerust over mijn geestelijke vermogens.

''Hé blinde, hier, zit ik je ziet me toch wel" en de kikker sprong direct daarop op het lelieblad. Het water in de vijver maakte rondjes rondom het blad. Ik schrok me rot dacht dat ik droomde. En het feit dat ik bang voor kikkers ben maakte de zaak er niet echt beter op. ''Hé, vieroog, kom eens wat dichterbij," sprak nu de kikker een beetje bazig.

 

 Ja goedendag, misschien wilde hij dat ik hem of haar nog een kusje zou geven. Ammenooitenneverniet, de garoetjes. En dat schelden stond mij ook niet aan. Maar buiten alles, ik stond hier wel met een pratende kikker midden in mijn tuin. Het zweet brak mij uit.

''He' luister effe, kun jij niet eens.”

 En voor ik het in de gaten had viel ik de kikker in de rede.

''Hé, dat zeg je tegen een paard, ik heb een naam hoor.”

''Ja, maar als jij jezelf niet voorstelt is het moeilijk zomaar iets te roepen niet, ik kan je toch niet roepen als Oehoe juffertje!'', trouwens ik ben Froggie en zoals jij moet weten, heb jij mij die naam drie jaar geleden nog gegeven, weet je dat nog?”

 

Het zweet brak mij aan alle kanten uit, was dit de kikker die ik uit Charley's pootjes vandaan had gehaald, was dit de kikker die een lam pootje eraan over had gehouden? Ik werd even niet goed, begreep nog steeds niet dat ik hier tegen een kikker stond te praten. Een beetje benauwd keek ik omhoog naar de ramen van de buren, links en rechts, want wat moesten zij wel niet denken als ik stond te praten tegen een waterput genaamd vijver? Want van die afstand was een kikker nooit te zien natuurlijk. Had ik weer. Maar gelukkig geen buurtje kijkuit...

De kikker begon verder te praten, die had natuurlijk de hele winter zijn kakel moeten houden en nu knalde hij er op los. Alleen begreep ik niet van mezelf dat ik als een zombie bleef luisteren. Ik werd echt bang.

 

''Nog nooit een pratende kikker gehoord?” vroeg hij mij. Ik knikte heel dom, durfde niks meer te zeggen.

''Oké, maar dit doe ik maar eenmalig hoor, het is dat jij mij ooit redde van die rotkater van jullie...''Ik onderbrak heb boos.

 ''Charley is toevallig een lieve kater, wat weet jij daar nou van'' en tegelijk was ik stil.

 

Charley had Froggie bijna het leven uitgeslagen met zijn pootjes, dus hoe haalde ik het in mijn hoofd om Charley te verdedigen. Hij vervolgde zijn verhaal met de mededeling dat hij vriendjes wilde worden met Charley maar dat ik er dan wel bij moest blijven, zodat hij af en toe een lekker badje kon nemen, zonder dat die harige pleeborstel ( dat zegt een gladjanus van een stuk zeep genaamd kikker) zijn poten eruit probeerde te rukken. Dat was zijn enige wens.

''Oké, ik zal hier blijven als jij in de vijver zit en als Charley toevallig ook buiten is zal ik hem bij je proberen weg te houden, afgesproken dan.”

 

 Tja, wat moest ik anders zeggen. Ik stond hier als een Mien met de korte achternaam te tokkelen met een kikker op een lelieblad bij mijn eigen vijver. Kon het nog gekker? Ja hoor.dat kon.

''En o ja mijn naam is Beppie, zodat je mij voortaan bij mijn eigen naam kunt roepen" meldde ik hem nog, liep terug naar mijn bankje, waar mijn koffie ondertussen koud was geworden. Ik schudde meewarrig mijn hoofd, ik had mijzelf voorgesteld aan een kikker die al jaren onze vijver indook en Charley tot wanhoop dreef met zijn gezwem. Charley kon alleen maar naar het water kijken en was als de dood om in de vijver te kukelen. En die kikker vroeg om een vredesoffensief van mijn kant?

 

Ik ging zitten en zag dat Charley zich lui uitrekte en traag op mij afkwam, hij nam een sprong en belandde naast mij op het bankje, terwijl hij de kom met koffie eraf gooide met zijn dikke toges.

''Kijk toch eens..Ik schrok, en wreef in mijn ogen. Ik was in slaap gevallen, dacht ik. Door de gevallen mok koffie schrok ik natuurlijk wakker en Charley lag nog heerlijk onder de varen te pitten. Ik keek snel naar de vijver, alles in het water was rustig. Toch stond ik op en liep er heen, niet helemaal gerust. Had ik het echt gedroomd?

Ik keek in het stille water en ineens kwamen er bubbeltjes omhoog, alsof iemand bellen aan het blazen was in de vijver. ''Ach, zeker een watervlo of vlieg, weet ik het'' mompelde ik en wilde mij net omdraaien toen ik hem of haar zag. Froggie zwaaide naar mij en gaf mij een knipoog. Gillend rende ik naar binnen, een verbaasd wakkere Charley alleen in de tuin achterlatend. Die mocht mijn Kloris later wel op gaan halen...

©LENY KRUIS

arend-1.large.gif

 

 

DE ONTMOETING



Hij keek om zich heen en al wat hij zag waren de zanderige wegen, de paarse heide en de stilte van de eenzaamheid dat hem benauwde. Geen mens te zien, geen vogel in de lucht, geen wolken, alleen een strakke blauwe hemel.
Hier had hij toch afgesproken? Hier zou hij toch opgepikt worden? Dit waren toch de goede richtingen die hij aan had gehouden die op zijn navigatiesysteem ontvangen had? Wat was er aan de hand?
Opeens hoorde hij een geluid. Een geluid dat hij niet zo snel thuis kon brengen. Hij draaide zich om naar het geluid en zag in de verte een auto. Dat zou misschien zijn afspraak zijn?

De auto naderde en stopte precies naast hem. Het raampje werd naar beneden gedraaid en een jonge mooie vrouw keek hem verbaasd aan.
“Hallo, bent u ook verdwaald?”

Hij keek met grote ogen naar dat mooie wonder dat hem verbaasd aankeek, haar prachtige wenkbrauwen omhoog en vragende ogen die hem verwondert aankeken. Hij wist niet wat te zeggen, drukte een knopje in van zijn navigatietoestel en het oortje dat hij in had vertaalde wat zij aan hem vroeg. Het antwoord kreeg hij gelijk via het systeem.
”Nee, hoor niet verdwaald,” klonk een blikken stem.
“Oh lekker aan de wandel dus!’constateerde het mooie schepsel.
“Ja, aan de wandel.” klonk het geblikt terug.

 

Hij werd er verlegen van, wat moest zij wel niet denken van hem. Hij wist even niet wat te doen of wat te zeggen, maar dit was dus niet zijn afspraak. Dit was een mens van deze aarde, dus hij moest als de donder zorgen dat zij heel snel wegging hiervandaan voordat men hem kwam oppikken. Geheimhouding was een eerste vereiste bij zijn opdracht en zeker niet naar mooie vrouwen kijken waar hij toch niets mee kon. Liefde was een woord en niets meer dan dat. Liefde was niet voor hem of zijn soort, liefde was iets tussen mensen en hij behoorde hier niet toe.

Toch keek hij vol verbazing en met kriebels in zijn buik naar haar gezicht en haar prachtige blonde lange haren. Haar volle lippen waren een uitnodiging om even van te proeven. Zijn gedachten werden eng, zijn gedachten waren niet van zijn soort want zijn gloeiende wangen verraden gevoelens die hij niet kende. Hij had niet zo een slangetje tussen de benen die de manmens wel hadden, daar werden ook nieuwe mensen mee gemaakt. Bij hen werd dat machinaal gedaan en kussen was al helemaal uit den boze, dat werd gedaan met de neuzen tegen elkaar en dan was je gelijk de eigenaar van een vrouw die alles voor jou deed. Als je een kind wilde moest je die bestellen bij de automatisering van je gemeente.

Dit menselijk wonder hier voor hem maakt iets in hem los wat hij totaal niet kende. Ineens besloot hij om haar mee te nemen als ze hem kwamen ophalen, hij zou haar wel leren dat er leven na deze aarde was. Zowaar kwam er een glimlach op zijn emotieloze gezicht.

“Wil jij met mij meegaan?”vroeg hij in alle onschuld aan dat wonder in de auto.
“Wat zeg je me nou?’ En tegelijk draaide zij het raampje dicht en gaf direct gas en reed als een bezetene de heide door. Dat was een lekker begin van de vakantie, dat werd gelijk meegelokt door een achterlijke geile knakker die zijn heil zocht op de stille heide. De groeten robot je kunt me wat! Trillend van schrik en nog van de gekke reactie van die man keek zij in het spiegeltje om te kijken of hij nog wel op zijn plaats stond.

Al wat zij zag was een platte vorm van een schotel waar een lange trap uitstak en zij zag die engerd erop naar boven lopen. Zij liet de auto stoppen en bleef als versteend kijken.
In een zucht was de ladder met inhoud binnengehaald en in een flits zag zij boven zich de vliegende schotel diep de blauwe lucht inschieten zo snel als het oog het kon volgen.

Verbeelde het zij zich of zag zij toch dat hij nog zwaaide?

©leny kruis

Januari 2012