Home » Korte Verhalen » Archief » Jaar 2012 » Maart 2012

------------------------------------------------------------------------ -----------------------------------------------------------------------------------------------

FAMILIETAFERELEN

 

Heerlijk die dagdromen. Ik zie mijzelf zitten aan de eetkamertafel bij de familie Stone waar ik regelmatig oppas bij de kleine Janis en George. Zij schelen 2 jaar, een stelletje deugnieten maar schatten van kinderen en altijd in voor een geintje zo klein als ze zijn.

Ik kijk naar het tafereel voor mij en volg hun eettafelconversatie onder het eten terwijl ik kijk hoe Janis stiekem haar stukje vlees bij haar broertje neergooit, met gevolg dat zijn jus over zijn T-shirt spettert.

“Mam kijk nou eens wat ze doet, die domme appeltaart!”En een boze blik naar zijn zus begeleidde gelijk het teruggooien van het stukje vlees met een vet randje.

 

Ik moest erom lachen want Ma die pakte, zo snel als zij kon, het stukje vlees van het bord en deponeerde het bij haar man die verbaasd doch verheugd zijn buit snel naar binnen slokte.

“Zo probleem opgelost en jij mag niet met eten knoeien hoe vaak moet ik je dit nog zeggen!” sprak Anna haar dochter toe.

Janis keek met grote ogen vol verbazing alsof ze totaal niet wist waar het over ging en zwijgend at zij verder, onder haar lange wimpers toch even een sneaky lach naar haar broertje toe gevende.

“Moeten ze straks allebei een beugel?”vroeg Pa met verbazing terwijl hij gelijk een hap van zijn eten nam.

:”Ja, dat zal wel moeten, ze hebben het toch nodig!”

“Nou dan mag ik wel om overwerk vragen, dit is toch niet meer te betalen tegenwoordig!” Hij had eerst voor het eten de post opengemaakt en daar de brief van hun tandarts gelezen met de mededeling dat de beide kleintjes in aanmerking zouden komen voor een beugel. Een grote rib uit hun portemonnee want het lijf kon het niet meer trekken zoals Pa Stone het altijd maar noemde. En het was nog maar de vraag of de Zorgverzekering waar zij bij aangesloten waren alles zou vergoeden.

 

“Nou, ik zal ze eerst morgen maar even bellen.”

En zwijgend ging men door met het eten dat hen toch smaakte want de kleintjes waren bezig hun bordje netjes leeg te eten zonder commentaar en zonder ruzie wat op zich al een rustpunt van de dag voor Ma was. Die twee konden niet zonder en niet uit elkaar, maar altijd was er wel wat dat Ma of Pa even als scheidsrechter moest fungeren. Of als ik op ging passen was ik altijd degene die tussen hen in stond, voor mij was het moeilijk partij te trekken, want ik was gek op die twee. Helaas hadden zij dit door. Kinderen voelen dat al snel aan, zover had ik al in de kinderwereld mogen kijken. Een verbazend opmerkingsvermogen en niets ontging die kleine ogen en hersentjes. Ik wilde ze tegen mij aandrukken en knuffelen maar ik zat aan tafel in mijn dagdroom en kon er niets mee. Toen het toetje kwam was gelijk de stilte weer over.

 

“Mam mag ik die rode?” vroeg Janis die het rode puddinkje aanwees.

“Wat maakt dat nou uit, het zijn alle vier dezelfde hoor!”zei Mams

“Ja, maar de kleur is anders dan die andere drie en ik vind rood zo mooi!”

“Ja, dan zegt jouw maag: “Hallo, ben  jij puddinkje rood en  kom jij uit de mond van Janis,” spotte kleine George en grinnikte om zijn grapje.

“Nou je weet helemaal niet wat mijn maag zegt, misschien zegt mijn maag wel helemaal niets en gaat het gelijk naar mijn k….”

“Hé dame, dit soort taal komen wij hier in huis niet tegen dit soort grapjes vertel je maar op school, dit wil ik niet horen onder het eten!’sprak Pa nu ineens. Een glimlach achter zijn servet zei mij al genoeg. Zij wilde gelijk door naar haar darmstelsel, doch Pa wilde dat nog even niet horen aan de eettafel en terecht.

Toen ze klaar waren met eten gingen ze alle vier de boel opruimen, Ma deed de koffiekan aan en de kinderen doken voor de televisie en Pa pakte zijn krant. Eindelijk was het even rustig.

Toen de koffie was gedronken en de kleintjes hun sapje op hadden was het toch tijd voor de douche en het bed. Want morgen zouden ze naar de dierentuin gaan.

Eindelijk een paar vrije dagen, het was mooi weer en de kleintjes mochten kiezen uit een pretpark of een dierentuin. Natuurlijk werd het een dierentuin, het was wel een anderhalf uur met de auto rijden, maar met broodjes en flesjes fris kwam je al een heel eind, mochten ze onverhoopt in een file terechtkomen.

 

Ik genoot van dit tafereel, zo heerlijk huiselijk, zo gezellig, iets wat ik vroeger nooit gekend had door mijn gesjok van het ene pleeggezin naar het andere pleeggezin. En elk gezin had zijn/haar eigen regels.

Mijn dagdroom kon niet meer stuk, ik zat ook in de voorkamer, gezellig tv te kijken en liep toen met Ma mee naar boven waar zij de kinderen gezamenlijk in bad deed. De nodige spetters waren her en der niet te vermijden en de pret was er niet minder om. Elke avond was dit het sluitstuk van de dag. Ze mochten Mamma even nat spetteren in de douche en dat was  toch wat voor die donderstenen. Dan met de natte haartjes de pyjama’s aan, een nachtkus naar Pappa brengen en als de wiedeweerga weer naar boven naar bed, waar ze nog een stukje kregen voorgelezen uit hun favoriete boekje. En dan het lampje uit, de deur op een kier. Ik stond in de deur en deed automatisch een stap naar achter toe zodat Ma eruit kon.

 

Ik lag ineens naast mijn stoel, mijn gezicht nat van de tranen, de krant nog in de hand.

Nee,  ik had niet geslapen, ik had gewoon een dagdroom gehad die ik nooit meer zou kunnen beleven zonder een traan te laten.

 

In de krant had ik net gelezen dat vanmorgen tijdens een auto-ongeluk een gezin was omgekomen op weg naar de dierentuin. Niemand had het ongeluk overleefd, ook de tegenligger niet die het ongeluk had veroorzaakt.

 

.©leny kruis

 

THEA

 

 

Zij was nog de schaduw van wat zij eens was. Een dame, een grande dame die je niet snel voorbij zou lopen om toch nog even naar haar om te kijken.

En nu? Nu zag ze eruit om met een tang beet te pakken. Vette haren ongekamd, vieze smeren op haar gezicht, vuile afgekloven nagels voor zover nog aanwezige, vieze kleding. Zij stonk waar ze stond, haar gebit was allang niet wit meer, eerder verrot en zwart van de slechte voeding of helemaal geen voeding.

Ik keek eens goed naar wat eens geweest was, mijn hart huilde.

‘Hé, Geesje hoe is het ermee meid?’, toeterde zij in mijn oor, een waas van verschraald bier achterlatend.

‘Goh dat je mij nog herkent’, wist ik alleen maar uit te brengen. Ik schaamde mij niet voor de blikken van de langslopende mensen die afkeurend hun blikken op ons samen wierpen alsof wij beiden een pact zouden sluiten.

‘Ja natuurlijk, jij woonde toch met al die andere kinderen allemaal in dat weeshuis op de oude Herengracht.’

Wat mij opviel dat zij nog zo mooi beschaafd Nederlands sprak, zonder enig accent terwijl zij een rasechte Amsterdamse was en jaren naast ons gewoond te hebben in een groot herenhuis. Haar vader was directeur van een of andere bank, ze hadden personeel in huis, kortom het was de elitefamilie vlak naast het weeshuis waar ik opgegroeid was.

 

‘Zeg Thea zullen we ergens een bakje koffie halen, ik trakteer."Ik had geen zin om midden op de stoep een gesprek aan te gaan en wilde haar even uit de kou halen, ook omdat ik per se wilde weten hoe zij zo terecht was gekomen. Dat was mij echt een bak koffie waard, buiten het feit dat ik het ook erg koud kreeg van dat stilstaan en even niet wetende wat te zeggen.

‘Als jij betaald is het altijd goed, ik heb mijn steun nog niet binnen, kom ik weet wel een tentje waar ik nog in mag’, en ik volgde haar, de trieste woorden even wegslikkend die zij sprak. `Een tentje waar zij dus nog welkom is`.

 

In een of andere zijstraat van het Centraal Station liepen wij een oud en vuil café binnen en wat er binnen zat was al net zo vies en klef als alles eromheen. Had ik het even getroffen. Maar ik moest niet zeuren, ik had het zelf aangeboden.

Wij gingen aan een van de vele lege tafels zitten en een ober met een zowaar spierwit schort kwam naast ons staat. `Wat mag het zijn dames`, vroeg hij vriendelijk.`Twee koffie graag`, antwoordde ik `Doris doe er voor mij een tosti alleen met kaas erbij`, sprak Thea heel snel, voordat hij weer wegliep van ons.

Hij knikte alsof hij het al aan zag komen en was weg.

`Nou vertel eens Gees, hoe ben je in hemelsnaam zo gedaald in de ladder van de maatschappij, je had alles, een fijn gezin, mooi huis van je ouders gekregen bij het Vondelpark En nou. ­Mijn toon was verbaasd, ik begreep het ook echt niet, hoe zo een vrouw als zij zo kon zinken naar de status van zwerfster.

`Nou kijk meid, kort verteld. Mijn man ging vreemd, mijn kinderen zitten in Australië en mijn man was zo slim om het huis in de verkoop te doen omdat ik hem niet uit kon kopen, er zat nog wat hypotheek op. Dus mijn helft is maar opgegaan aan de drank. Na dat huwelijk van mij na bijna 30 jaar had ik echt geen zin om op een kamertje te gaan zitten. En de sociale dienst wilde dat ik eerst mijn centjes opsnoepte voordat ik in aanmerking kwam voor een huurhuis dat een beetje te betalen was in de toekomst. Dan neem ik de kartonnen doos wel die Appie Hein weggooit. Slaapt heerlijk hoor en nou heb ik een uitkering van de soos en gratis onderdak bij het Leger Des Heils en op de dag verzamel ik overal lege flessen voor het statiegeld. Als ze hier nou ook eens die blikken zouden gaan belasten zoals in Amerika, meid dan liep ik binnen`. Het feit dat ze ooit al `binnen`was ging even aan haar voorbij.

`Wil jij mij vertellen dat je zo gelukkig leeft dan," vroeg ik haar verbaasd.

`Nou jij praat tenminste nog met mij, er zijn er genoeg uit het verleden die mij niet eens meer willen kennen. Diezelfde mensen die ik altijd geholpen heb`. Haar toon werd bitter. De ober kwam met de koffie en haar tosti waar zij gretig in beet, ik voelde de hete kaas al tegen mijn verhemelte, maar het scheen haar niets te doen.

`Zo dat is het eerste dat ik in twee dagen gegeten heb`, mompelde ze tussen twee happen door. Ik gebaarde naar de ober om nog maar een tosti en hij knikte begrijpend.

 

‘En waar slaap je vannacht dan?”

‘Daar waar ik mag slapen, het is vaak knokken voor je plekje hoor en ik denk dat ik toch maar haar het Leger ga, dat kost wat eurotjes maar daar kan ik douchen en tanden poetsen, je krijgt een ontbijtje voor die paar centen en je hebt een bed voor de nacht. Maar om 8 uur in de ochtend moet je er weer uit”, beantwoordde zij mijn vraag.

‘Maar net zei je tegen mij dat je jouw steun nog niet binnen had”!

`Nee, dat klopt, maar ik ga er gewoon van uit dat jij mij die paar euro´s geeft uit vriendelijkheid en we hebben elkaar al zolang niet gezien`, antwoordde zij brutaal met een smile van oor tot oor. Het feit dat wij nooit met hen mochten praten van de nonnen omdat zij van hele hoge afkomst waren werd nu gewoon even aan voorbijgefietst. Als wij elkaar vroeger spraken was het alleen of wij de bal van haar over de muur terug wilden gooien als zij weer eens te wild in de tuin van hun statige huis had gespeeld.

Ik knikte maar wat, pakte mijn portemonnee en gaf haar een biljet van 10 euro.

´Kom je hier de dag wel mee rond denk je`, vroeg ik maar

`O jee meid, wel een week als ik zuinig ben, heb al drie uur niks meer gedronken op deze koffie na dan`. En gretig pakte zij het tientje en duwde dit diep in haar vuile jurk tussen haar boezem en ik kon mij met al mijn fantasie ook niet voorstellen wie daar nou ging zoeken naar euro´s. Dus voor een beroving hoefde ik niet bang te zijn. Dacht ik.

 

Twee dagen later las ik in de krant dat er een lijk was gevonden van een zwerfster die naar alle waarschijnlijk beroofd was door haar medezwervenden. Op de plaats delict  zag ik de vuile jas van Thea liggen, daaronder het zeil van de politie staken haar vuile schoenen nog uit.

Ik had haar ook nooit die 10 euro moeten geven.

GEKHEID

 

“Ben jij wel  goed bij je hoofd?” imbeciel achterlijk stuk vreten, wie denk jij wel dat je bent!”

De verwarde man die schuin voor mij stond bij de bushalte schreeuwde dit voor zich uit. Niemand die ik zag. En aangezien ik achter hem stond in het bushoekje schuilend voor de motregen kon hij het toch niet tegen mij hebben?

Zijn kleren zagen er vaal en versleten uit, zijn schoenen zonder veters, vette haren, stoppelbaard, wilde ogen die steeds maar in de rondte draaide. En toch was ik niet bang.

Waarom was ik niet bang? Deze man was duidelijk in de war, of onder invloed van drank of drugs, maar sporen deed hij niet lekker in zijn bovenkamer. Zou hij stemmen horen?

 

Ik keek om mij heen, keek op mijn horloge hopende dat de bus snel zou komen. Straks zou hij mij misschien wel aanvliegen, dus ik hield mijn handen in de zakken van mijn jas en in een van mijn handen de sleutelbos waar wel het een en ander aan hing om uit te halen naar hem als hij mij te na kwam. Ja, je hoorde zulke rare dingen tegenwoordig.

‘Je moet je ouwe moer uitschelden maar mij lekker met rust laten”, brulde hij weer. Ineens draaide hij zich naar mij om en keek met die verwilderde ogen zo recht in de mijne. Het gaf bij mij een schokeffect. Die man was echt gestoord. En daar stond ik dus mee in een bushokje op een stille laan, geen auto op de weg, geen mens die voorbijliep, doodstil op straat en de duisternis begon al in te vallen. Ik viel weer in de prijzen.

 

“Hoor je wat die gek zegt?” vroeg hij mij

“Wie”, vroeg ik beleefd.

“Nou ja, ben jij ook doof of zo, die kerel scheldt mij uit voor idioot en klootzak en lamlul, dat zeg je toch niet zomaar tegen iemand?!”Zijn verontwaardiging was zeker niet gespeeld.

“Nou niet om het een of ander, maar u kunt er ook wat van!’

“Ja, maar ik laat mij niet voor de kat zijn kut uitschelden dat zal lekker wezen, mag je tegenwoordig alles maar over je heen laten gaan?”

“Nee, natuurlijk niet, maar waar gaat het dan om?”, vroeg ik hem maar.

Ik bedacht mij dat het wel zo verstandig zou zijn om het gesprek gaande te houden totdat die bus nou eindelijk eens kwam, want dan was ik in ieder geval verlost van iemand die de weg kwijt was.

 

“Nou die knakker gaat voor zijn beurt bij de kassa en wij moeten allemaal in de rij staan en op onze beurt wachten, of je nou een hele kar vol hebt of twee blikken bier mag niets uitmaken!”

Daar had hij een punt, maar nu vroeg ik mij wel af wanneer zich dat dan afgespeeld had.

“Wanneer was dat dan?” vroeg ik hem heel lullig

“Náh ben jij een dochter van Jules de Corte, net zo blind. Je staat hier ook al zo lang in de rij.

Toen viel het kwartje bij mij. Deze man dacht dat hij in een supermarkt stond te wachten voor een rij bij de kassa, ik zag nu pas die twee blikken bier die hij in de beide zakken had gepropt.

“O daar komt de chef al aan, ik pik dit niet die kerel moet gewoon op zijn beurt wachten, ik heb tenslotte twee blikken bier en hij heeft er vier”.

Woedend draaide hij zich weer met zijn rug naar mij toe en gelukkig zag ik in de verte de bus al aankomen. Het kon mij niet snel genoeg gaan.

Toen de bus bij de halte stopte en de deuren zich openden liet hij mij netjes voorgaan. Ik keek hem verbaasd aan en vroeg “Moet u dat bier niet afrekenen?”

“Nee, hoor vrouwtje ga maar voor, ik blijf altijd een gentleman en dacht je nou heus dat ik niet wist dat we bij een bushalte stonden?’’, een grote grijns op een vrolijk gelaat. Het wilde was uit zijn ogen. Deze man verdiende voor mij een Oscar. “Maar waarom deed u dan zo raar!’

“Och, ik wilde de tijd doden en kan niet tegen stilte, dus dacht ik kom laat ik eens maf doen”.

Ik stapte de bus in terwijl hij nog zei tegen mijn rug “Nee hoor, ik heb straks een voorstelling in het buurthuis en had mij thuis vast omgekleed en bedacht dat ik mijn rol wel even kon uitproberen”.

Op dat moment voelde ik mij besodemietert, of om even in zijn taalgebruik te blijven:

Ik was me daar toch met de lul op de bek geslagen…

©leny kruis

Maart 2012