Home » Peter
3 stemmen
0000000000arkvannoah.jpg

Noah's Ark

Everything I need to know, I learned from Noah's Ark.

ONE:     Don't miss the boat.
TWO:     Remember that we are all in the same boat!
THREE:  Plan ahead. It wasn't raining when Noah built the Ark.
FOUR:   Stay fit. When you're 60 years of age, someone may ask you to do something really big.
FIVE:    Don't listen to critics; just get on with the job that needs to be
done.
SIX:      Build your future on high ground.
SEVEN:  For safety's sake, travel in pairs.
EIGHT:  Speed isn't always an advantage. The snails were on board with the cheetahs.
NINE:    When you're stressed, float awhile.
TEN:      Remember, the Ark was built by amateurs; the Titanic by professionals.
ELEVEN: No matter the storm, when you are with God, there's always a rainbow waiting.

---------------------------------------------------------------------

 

 

0000000000PIGGELEEENVROUW1.jpg

 

 

Piggelmee.

 

Het was buiten waterkoud toen ik gisterenavond uit mijn vervoermiddel stapte en naar de ingang van de flat liep. Ik plukte de brievenbus leeg en wilde snel naar binnen maar dat zat me niet mee. Er stond een klein formaat echtpaar aan de deur te morrelen: ze kregen de sleutel niet in het slot.

“Zal ik het even proberen?” Vroeg ik, meer uit eigen belang.

“Nee dank u, het lukt ons wel hoor.” Zei het echtpaar, en inmiddels stonden er al vijf personen te wachten die met de lift mee wilden.

 

Eindelijk ging de liftdeur open en het echtpaartje keek tergend langzaam op de nummerplaat naar welke etage zij moesten en versperde zodoende nogmaals de doorgang naar de lift. Zo te zien waren het nieuwe bewoners of ouders die een kat kwamen voeren. Of het uitgerekend op dit moment zo moest zijn weet ik niet maar wij hoorden in de andere liftschacht een grote doffe klap. Ik ben nooit te beroerd voor een guitige opmerking dus zei ik: “goh, die andere lift is zeker neergestort?”

Het vrouwtje zag ik nu heel dicht tegen dat mannetje aankruipen en ze keek mij daarbij heel angstig aan.

“Ik weet nog een paar jaar terug,” zei ik tegen een bekende buurman, “dat iemand op de dertiende drukte terwijl er maar twaalf etages zijn, en oehhhw: de lift schoot boven het dak uit.”

 

Nu nam Piggelmee het voor zijn vrouwtje op en vroeg of ik hiermee op wilde houden want ze vonden het echt niet leuk.

“Nou” zei ik: “zelf vind ik het wel humor hebben.” En juist op dat moment stopte de lift, op de negende etage; daar waar ik eruit moet.

“U moet toch op de zesde zijn?” Informeerde ik de man nog. De liftdeur gleed dicht en door de kier zag ik de lift nog hoger gaan.

 

Gniffelend liep ik over de galerij, dit was mijn eerste kwajongensstreek deze week.

 

©Prlwytskovsky.

 

 

 

 

     De Demming cirkel.

 

Definieer voor je zelf eens een brede weg en een smalle weg. Een brede weg daar scheur je met alle gemak overheen zonder naar flitspalen om te kijken terwijl je op een smalle weg al je aandacht nodig hebt om niet uit de bocht te vliegen. Wat wil ik hier nu eigenlijk mee zeggen voor zover ik hiermee überhaupt iets zeggen kan? Wat ik je hiermee wil laten zien is een moeilijkheidsgraad ten aanzien van de dagelijkse beslommeringen inzake het bewandelen van de juiste wegen; breed of smal even ter zijde.

 

Iedereen herkent vast wel een situatie in zijn eigen leven waarin je het onderspit dreigt te delven en niet weet hoe je er, onzichtbaar voor de rest van de wereld, onderuit kunt komen. Zelf herinner ik mij een groepsoverleg waarin ik zat te blaten als een geit en het vervolgens verkeerd bleek te hebben. Ik oreerde namelijk over een onderwerp dat niet aan de orde was en had mij verkeken in de notulen. Ik werd verbaal gecorrigeerd door de aanwezigen op een manier waarbij het schaamrood mij naar de Noordpool steeg.

 

Nu zou je kunnen reageren door net te doen alsof je niets hoort en de draad eenvoudigweg oppakken door het volgende punt aan te kaarten maar zo eenvoudig is dit allemaal niet ten overstaan van een tribunaal: zijnde jou collega’s. Die proppen je liever meteen in de foodprocessor om gehakt van je te maken. Hier komt nu, ter zelfbescherming, een beetje psychologie om de hoek kijken; je kunt namelijk mensen bespelen met woorden. Kijk de mens aan en analyseer hem, of haar. Plaats de mens in hokjes en analyseer het gesprokene; reageer zoals de doorsnee mens dat graag wil hebben: geef de mens gelijk maar denk er ondertussen het jouwe van!

 

In mijn zojuist aangegeven voorbeeld stelde ik mij heel gevoelig op door mijn fout openlijk te bekennen. Dit hadden ze niet verwacht. Pijnlijke stilte was het gevolg en men dacht na over de te nemen stappen maar die bleven uit. Voor de lezer: dit voltrok zich binnen enkele seconden.

Ik bevond mij nu op een smalle weg door mij erg gevoelig op te stellen ter beoordeling van een meute die mij zo kon neersabelen. Maar dit gebeurde niet, nee, eentje zei zelfs dat mijn opstelling werd gewaardeerd omdat ik mij zo professioneel opstelde. Ondertussen keek ik uit naar een teiltje om dat vol te kotsen maar zover kwam het niet.

 

De brede weg is om deze zorgeloos te bewandelen en je niets aan te trekken van welke normen of waarden dan ook. Maar de smalle weg is om je ongelijk te durven bekennen en met open vizier je tegenstander omver te werpen dan wel schaakmat te zetten. Dit is een troef die je in een uitzonderlijk geval uitspeelt; dus ga daar erg voorzichtig mee om.

 

Of een weg smal of breed is dat is per persoon verschillend. Maar hoe is jou visie? Waar liggen jou grenzen? Met welke perceptie kijk jij naar hoe smal is breed en hoe breed is smal? Spreek de waarheid, al is dat nog zo moeilijk. Laat zien wat je denkt en creëer geen eilandjes maar leg bruggen. Verbind visies met elkaar in plaats van jezelf af te schermen. Doe dingen ‘met’ elkaar want alleen red je het niet.

 

Ik hou altijd maar de Demming-cirkel voor ogen: Plan-Do-Check-Act. ‘Plan’ is iets dat mensen nog wel bevatten, ‘Do’ is andere koek, maar ‘Check’ wordt al een stuk moeilijker omdat je dan iets moet bewijzen, en ‘Act’ daar zullen wij het even niet over hebben want dat laat nogal te wensen omdat ‘Act’ actief en oplossend bezig zijn betekent en daar ontbreekt het nog al eens aan in den Nederlanden.

 

 

©Prlwytskovsky.

 

 

 

              

De Studiereis: slot.

 

Woensdagochtend zaten wij om acht uur aan de ontbijttafel. Ze hadden alledrie ogen op sap met een uitdrukking alsof ze net een buitenzintuiglijke waarneming hadden waargenomen. Zou ik er ook zo uitzien? Ik had een gevoel of er watjes in mijn oren zaten en schuurpapier in mijn keel maar voor de rest ging het wel.

 

Vandaag was het de eerste dag dat mijn wekkerradio op tijd afliep en mijn laatste dag hier. Op het programma stonden nog wat formaliteiten en zaken zoals een bezichtiging van hun afdeling ontwikkeling, een bezichtiging van een of andere handbediende glasblazerij en de uitreiking van onze zo verdiende en vooral begeerde oorkonde. Dan konden wij om 12:00 uur nog ergens gaan eten, voegde Franz-Jozef er aan toe; het leek wel een race tegen de klok als ik het zo hoorde.

 

De dag ving aan met tegenslag: hun Willy-Wortel-lokaal had de voorbereidingen nog niet getroffen dus gingen wij eerst naar die Glasshütte, achter die berg is het zei Franz-Jozef. Het bleek toch nog een goed half uurtje rijden alvorens een gat genaamd Spiegelau binnen

te rijden. Voordat de rondleiding begon konden we in twee snuisterij winkeltjes iets kopen. Zaken als een kroonluchter van 6.000 mark of een bloemenvaas van 1.250 mark waren schering en inslag. Overigens wel van het mooiste kristal maar toch te burgerlijk voor ons en gedecideerd verlieten wij het zaakje weer.

 

Er ging een fluit: de rondleiding begon!

 

We werden in rijen afgemarcheerd naar een binnenplaats, helaas zonder fanfare en motoragenten of alleszins andere zaken die zij zo gewoon waren. Eenmaal daar aangekomen werd ook onze gids zichtbaar in het tumult en ik verdacht hem ervan de eeneiige tweelingbroer van ons hoofd afdeling verkoop te zijn. Een wel zeer sprekende gelijkenis meende ik en hij nam ons mee naar binnen. Ute Frohweihn scheen iedereen te kennen want overal knoopte hij een praatje aan. Wat opviel was dat het vooral vrouwtjes betrof. Ik vroeg hem waarom ze hier nog op zo'n ouderwetse manier werkte. Geintje. Hij legde mij vervolgens bloedserieus uit dat deze werkwijze enkel en alleen als museumstuk bewaard werd om het nageslacht te laten zien hoe er ooit gewerkt werd. Deze uitspraak ontlokte mij bijna een andere niet te verantwoordde uitspraak en ik haalde maar eens diep adem.

 

Buitengekomen op de binnenplaats had Ute Frohweihn een niet op de juiste wijze gekoeld stuk glas in zijn hand. De truc was om het te buigen waarna het in tachtig miljoen zandkorrels zou breken. Een school kleine Beiertjes stond er om heen en zij keken verwonderd toe dat die man dat durfde. Iemand mocht het stukknijpen: Pang! Een hand vol zand was het gevolg en bewondering oogstend keek Ute Frohweihn in het rond. Eine mark ein stuck, schaterde hij.

Ik wilde er wel twee, hij lachte schaapachtig naar mij.

Terug op het honk bleek de proefopstelling in tegenstelling tot eerdere pogingen wel klaar.

In het leslokaal kregen wij uiteindelijk de begeerde certificaten. Verder kregen wij van hun een houtje mee om op te bijten en een mooi fotoboek. Hierna werden we afgevoerd naar een eetgelegenheid ergens in de vrije natuur maar vraag mij niet waar. Een moeder en dochter bedienden er en schilders haalden halsbrekende toeren uit om het onderkomen in een fris jasje te steken. Ons was bekend dat we na de lunch met de terugtocht aan zouden vangen, een licht verteerbare maaltijd zou dan op zijn plaats zijn. Welnee, bestel maar uiensoep en goulash, dat soort werk. Nou ja, ze moeten het zelf maar weten.

 

Eet u smakelijk zei moeder. Maar ik had nog niets en dat werd alsnog per ijlbode aangevoerd.

Omhoogkijkend voorspelden de weergoden niet veel goeds, dreigende wolken kwamen over de bergkammen heen. Wij namen afscheid van onze gastheren en zetten de Jaquar met zijn neus richting huis en onze driver gaf gas: weg waren we.

Na koud een half uur op de autobahn kwam de regen met bakken omlaag, achterin was het verdacht rustig: men sliep. Onze driver was er ook niet ver van af zo te zien. Hij stopte op een parking en plantte mij achter het stuur wat toch een welkome afwisseling voor ons bleek. Rij ik ook eens in een Jaquar. Spartaans als wij zijn hadden wij maar een doel: naar huis! Eten?

Welnee, we hadden allemaal nog genoeg aan de laatste maaltijd en dat was overigens te merken aan de plotseling opkomende hoge graad van luchtvervuiling; tenzij er constant auto's met katalysatoren voor ons rijden.

Even dacht ik er zelfs aan dat er iets in staat van ontbinding in het motorcompartiment zou kunnen liggen maar niets van dit alles, dus moest ik wel beschuldigend gaan denken.

 

Een kopje koffie hier en een litertje benzine daar brachten ons in de buurt van Venlo. Wat opviel was dat onderweg op veel plaatsen de vangrail was opengereten op een manier waaraan menig hooligan een puntje kon zuigen. We hebben nog eenmaal goedkoop getankt en richting huis waargenomen op de ANWB-route borden. Na het tanken werd er weer druk gepraat en partnerruil gedaan met twee zakken chips maar naarmate we het eerste adres naderde werd het stiller in de auto. Ons was moe.

 

Edje was als eerste thuis. Al zijn spullen werden uitgeladen en elkaar nawuivend verlieten

wij Oudenbosch op zoek naar het huis van de volgende. Het stond er nog.

Nadat hij was uitgestapt en uitgeladen moesten we nog naar de vestiging Dintelmond om mijn Rover op te halen.

Middernacht is het geweest en Jantje de Portier kwam nog even een kort babbeltje met ons maken maar onze chauffeur en ik namen snel afscheid en vertrokken richting hoofdweg; elk met ons eigen auto. Na het Haringvliet verliet onze chauffeur de hoofdweg en met luid getoeter gaven wij elkaar nog een laatste groet.

 

Nog 20-minuten en ik was weer thuis. Snel mijn mandje in want morgen is het weer vroeg dag.

 

Licht uit.

 

©Prlwytskovsky.

 

 

 

De studiereis: deel 4.

 

Dinsdag: reveille om 7-uur. Deze dag verliep net als gisteren met dit verschil dat Herr. Frohweihn er uit zag als Herr. Mehrweihn: wat een kop. Maar het ging ons om wat er in die kop zat en dat kwam eruit ook; wat wist die vent een hoop. Het idee werd geopperd om die lui in te laden. Nou, eindelijk een woord naar mijn hart, weg met die bockwürsten. Mij werd verduidelijkt dat ik met "inladen" eigenlijk "einladen" had moeten horen hetgeen toch een andere uitwerking op de mensheid heeft. Wij spraken af dat zij vertelden waar we heen gingen en wij betaalden grootmoedig.

 

Keurig op tijd haalden zij ons op bij het hotel. Een gat dat Deggendorf heet was onze bestemming. Er scheen daar iets aan de hand te zijn volgens Franz-Jozef. Bij aankomst bleek er een grote kermis te staan met evenzoveel ondefinieerbare tenten. Mwah leuk. Wij bekeken de kermis en dachten er het onze van. Niks bijzonders. Na een rondje gelopen te hebben namen we plaats op een terrasje om daar te eten. Daar loopt weer zo'n lekker zwartharig-donkerogig w.. (pardon), smakelijke dame te serveren.

Onze hoofdman neemt het voortouw en wil weten dat wat er op de kaart staat inhoudelijk voorstelt. De dame in kwestie trommelt ongeduldig met haar vingers op haar notitieboekje.

Hij bestelt en zij kijkt hem aan of hij iets uit een derde wereldland vraagt en noteert.

Ze wil weglopen.

“Ehh, hoewel, ik heb toch liever.....”

Dame in kwestie sprak plotseling koeterwaals en zuchtte diep inzake onze manier van bestellen. Maar toen het eenmaal op tafel stond bleek het een goden maal, vraag mij echter niet hoe het heet. Na de dis werden sommige van ons toch langzamerhand nieuwsgierig naar de locatie van een sanitaire voorziening. Deze bleek aan het andere eind van het kermisterrein te liggen dus enige drang van betekenis dient zeer tijdig te worden onderkent, dit om moeilijkheden onderweg te voorkomen.

 

Wij gingen ons dus uitleven op de kermis. Naar het zich liet aanzien maakte niemand aanstalte om ergens in te gaan. Ik zag een ding dat op een rups leek en zei daar in te willen.

Franz-Jozef, nooit te beroerd, kwam met een hele rol wapperende kaartjes aanlopen en wij nestelden ons op de harde en vooral gladde bankjes. Met drie stuks zaten we op een bankje dat voor twee personen bedoeld leek. Na vastgebonden te zijn zette het ding zich in beweging. Hij ging hard, hij ging harder, hij ging nog harder, hij ging vreselijk hard. En lang dat het duurde ….. Er was opeens veel meer ruimte op dat smalle bankje zodat er nog wel iemand kon aanschuiven. Leuk dacht ik, als iemand zijn maaginhoud niet in bedwang kon houden bij een dergelijke middelpuntvliedende kracht. Voor ons wel te verstaan ten aanzien van de omstanders. Toen de benzine op was stopte het ding eindelijk en wij stapte uit. Ute Frohweihn waggelde als een eend. Ute Frohweihn zei dat hij Reinhard heette maar helaas voor hem: ik had hem al omgedoopt. We liepen nog eens over de kermis en zagen een man en een man gearmd lopen. Ze pasten goed bij elkaar, een dikke en een dunne.

 

BOTSWAGENTJES!!! Daar motte we in! En dus ..…

Eindelijk konden we die lui eens op een legale manier plat rijden maar ze deden het ook bij ons dus dat hield erg op. Genoeg gelachen nu.

Edje zag ergens in een hoek een soort Landrover staan en wilde persé alleen het bandenprofiel van de achterste band bekijken. Naar zijn gezichtsuitdrukking te oordelen verliep alles naar wens.

 

Wij werden vervolgens in een tent gezet met een muziekje op een podium. Muziekje? Een stelletje motorisch gestoorden stonden op het podium te tokkelen en te harken in veel te korte lange broeken. Of veel te lange korte broeken, wie zal het zeggen. Godsamme, wat een pokke herrie. En allemaal banken aan elkaar geregen, je kunt gaan zitten waar je wil. Gewoon even iemand op z'n schouders tikken en ze gaan opzij. Vreemd, als je dat b.v. hier in de Ahoy zou doen heb je binnen twee minuten een heibel die z'n weerga niet kent. Hier niet. Gemuttligkeit heist das. Praten is onmogelijk tenzij je zo hard schreeuwt dat je huigje eruit komt. Wij bedienden ons van gebarentaal.

Ik zat ergens op maar sloeg er geen acht op. Later werd er iets met een ferme ruk onder m'n kont uitgetrokken. Het bleek dat ik in een handtasje had gezeten. Ik keek om en zag een alleraardigst meisje zitten waar ik wel eens mee over het leven wilde filosoferen; het hare en het mijne in het bijzonder. Aan het einde van de tafel zat dat homo-stel waarvan die dikke in een staat die niet eens meer kennelijk te noemen was, delirium-tremens is een beter woord. Hij moest door twee mannen worden afgevoerd dat hij op zijn beurt lekker gevonden moet hebben.

"Bis du ausländer?" vroeg het meisje aan mij.

Ik zei "Yes".

"Aaah, ein Englander", oordeelde ze.

"Nee, Rotteuredam", zei ik zo plat mogelijk. Ze heeft me niet meer bekeken.

Frohweihn had nootjes op de kop getikt. Lekker dacht ik, een hartigheidje gaat er wel in.

Allemaal doken we met een hand in dat puntzakje. Het waren geen zoute maar vieze zoete nootjes in een knapperig jasje.

 

Wij braken op om middernacht en lieten ons naar het hotel brengen. Na ons uitermate bedankt te hebben moesten wij door een achterdeur het hotel betreden. Ze moeten daar nu eenmaal om hun buurt denken. Nietwaar?

Kleertjes uit en pyjamaatjes aan.

 

Licht aus.

 

Wordt vervolgd …

 

©Prlwytskovsky.

           De zwerver.

 

Met één hand in mijn zak wandel ik door een Rotterdamse winkelpromenade. Er lopen niet veel mensen. Het is heerlijk weer, soms zon en soms wat bewolking. Verderop zitten enkele sjofel geklede mannen met elkaar te praten. Misschien daklozen, of zwervers? Ach: dat zijn toch ook mensen. Elk met hun eigen gevoelens en achtergronden; en vooral hun argumenten om zo te leven.

Één man uit die groep staat op en loopt heen en weer langs een winkel. Als hij mij ziet komt hij op mij af. Of had hij mij al gezien, en uitgekozen? Argeloos, en mij niet aankijkend loopt hij een meter van mij af met mij op, als hij vraagt: ‘alstublieft meneer een aalmoes?’

Wetend dat bedelen verboden is loopt hij op zijn manier nadrukkelijk naast mij, maar toch ook alsof hij er niet bij hoort. Ik zie hem zijn hand uit zijn zak halen en ophouden, en kijk hem terloops aan. Grijsblauwe- en waterige ogen kijken mij trillend- en gelijkertijd beschamend aan. Die ogen vertellen mij meer dan zijn vraag op zich. Smekend bijna, zou ik het eerder omschrijven: zo kijken die ogen. Veterloze zwarte afgetrapte schoenen draagt hij en een pluizige, veel te ruime jas die tot over zijn knieën hangt. Alleen een paar grijze haarlokken net boven zijn oren sieren zijn hoofd; en een flinke grijze stoppelbaard.

‘Ga mee naar dat terras, krijg je een bak koffie.’ Zeg ik.

‘Nee meneer, dat gaat niet. U en ik, dat kan niet daar.’ Spreekt hij in een strak perfect ABN.

‘Ga bij je maten, dan koop ik wel een biertje voor jullie.’ Zeg ik, wetend dat hij dit antwoord nooit verwacht. Hoofdschuddend loopt hij weg van mij, terug naar zijn gabbers.

Ik zie een supermarkt en loop binnen. Een tree bier koop ik en loop terug op de groep af en ga er onuitgenodigd bij zitten. De tree bier zet ik demonstratief voor hun voeten neer. De mannen kijken een andere kant op, niet wetend wat zij met deze situatie aan moeten. Dan krijg ik een por van de mij bekende man.

‘Wat moet je?’ Vraagt hij.

‘Jij vroeg een aalmoes? Nou: hier heb je een aalmoes.’ Antwoord ik, en kijk naar de lucht. Ik pak nonchalant een blikje bier uit de tree en open het. ‘Proost’ zeg ik luid en neem een slok. Daarbij houdt ik het blikje demonstratief omhoog tot iemand mee proost, maar helaas.

‘Loop om de hoek, dan kom ik naar je toe.’ Sist hij.

Nieuwsgierig geworden sta ik op, loop de hoek om, ga op een bank zitten; en wacht. De zwerver, als ik hem zo mag noemen, komt naast mij zitten.

‘Hier zitten wij neutraal.’ Zegt hij zich neervlijend.

Een moment zonder woorden en dan begint hij ….

‘U bent een totaal afwijkend persoon. Bijna iedereen loopt gewoon door als ik een aalmoes vraag, sommigen geven 50 ct, en u komt er gewoon bij zitten en zet een tree bier neer? Vind u het gek dat ik, en mijn vrienden daardoor uit balans raken?’

Zijn ogen zijn nu niet meer trillend en waterig, maar helder en scherp. Loerend als een panter kijkt hij mij aan.

‘Wat ik mij afvraag is, waarom een welbespraakt man als u mij om een aalmoes komt vragen. Uitgerekend ik, terwijl daar zoveel mensen liepen?’ Reageer ik.

Hoofdschuddend en handenwrijvend gaat hij rechtop zitten en leunt dan achterover, starend in de lucht.

‘Laat ik mij eerst even voorstellen.‘ Zegt hij: ‘Mijn naam is Arie Nus.’ Spiedend kijken zijn ogen mij aan, wachtend op een cynische reactie.

‘Peter’. Zeg ik en reik hem mijn hand. Alsof zijn naam de gewoonste zaak van de wereld is.

 ‘Vroeger, toen was het nog goed.’ Begon hij, en zijn lippen zochten naar vormen voor de volgende zin. ‘Vroeger, weet u, toen was ik varkensboer. Ik had echt een miljoenenbedrijf. Een eigen huis, eigen landerijen, een vrouw en twee kinderen. Maar dan sloeg de varkenspest toe en de regering ruimde al mijn varkens. Destructie voor alles, voor mijn hele bedrijf. Mijn hele bedrijf van de ene minuut op de andere naar de filistijnen. En wat erger is, is dat als je geen inkomsten meer hebt, dat je vrouw er de brui aan geeft en weggaat. Totaal failliet ben je dan, en vooral nergens meer; niets had ik over dan alleen schulden. Je kinderen willen je niet eens meer zien, of je zelfs maar kennen. Zo ben ik in dit leven terecht gekomen.’

Zijn ogen worden weer vochtig. Zwijgend zit hij daar, zijn handen ineen gevouwen, benen over elkaar geslagen en kijkend in het niets. Ik weet niet wat ik zeggen moet en ben woordloos van zijn woorden.

‘Soms’, zeg ik na een lange stilte: ‘Soms denk ik er ook over om een leven te gaan leiden zoals jullie dat ook doen. Vooral zorgeloos, en niet aan de dag van morgen denkend.’

Dan kijkt hij mij indringend aan, en zegt: ‘Dat moet je niet willen. Leef jouw leven zoals jij dat wilt en niet zoals het aantrekkelijk lijkt door hoe dat anderen dat doen.’

Deze wijsheid doet mij nadenken en maant mij tot stilzwijgen.

Ondanks dat wij niet veel woorden wisselden werd ons toch veel duidelijk. Het respect naar elkaar, onze levens visies. Ik duw hem een vijfje in zijn zak en zeg:

‘Als ik hier weer voorbij kom wil ik jou niet meer zien hier.’ En steek mijn hand naar hem uit.

‘Als jij hier weer voorbij kom en je denkt er nog zo ver dan sla ik je op je muil.’ Zegt hij op z’n plat Rotterdams, en geeft mij een ferme handdruk. Zijn ogen spreken de ontbrekende woorden.

Nog even bleef ik zitten en als ik uiteindelijk op sta is hij verdwenen. Ik loop terug naar de winkels maar ook zijn maten zijn weg, en zelfs de tree bier is verdwenen. Alleen de gedachte aan het gebeuren is wat rest.

Een tram rijdt knarsend en piepend de hoek om en haalt mij terug naar de realiteit. Maar wat is de realiteit eigenlijk? De tram of de zwerver?

 

©Prlwytskovsky.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

               Mijn kookbeurt ….

 

In mijn eerste huwelijk kookte ik nooit en vrat alleen maar terwijl ik in mijn tweede huwelijk altijd aan de beurt was om te koken en daar werd wat afgevreten zeg gohhhh. Dat kun je gerust zo noemen want het was telkens een wonder dat de pannen en borden na de dis schoongelikt en wel nog op tafel stonden. Wij zaten soms met 6 neuzen aan tafel en de prak was dan ook niet aan te sjouwen, of ze nooit iets te eten kregen zo gingen ze tekeer. Nee, ik ga hier niet opscheppen over mijn kookkunsten maar ik wil even een detail belichten van de randverschijnselen die zich voordoen als ik achter de stoofpotten plaatsneem, zelfs heden-ten-dage nog.

 

 

Laat ik eerst uitleggen waarom ik altijd aan de beurt was om te koken. Destijds draaide ik ploegendiensten en met de dagdienst was ik altijd om 16 uur thuis terwijl mijn echtgenote pas tegen 18 uur thuiskwam dus was het logisch dat ik voor het avondmaal zorgde, flexibel als ik ben. Echter als ik late dienst had dan kookte ik uit eigen belang tussen de middag mijn warme maaltje en zette hierbij ook het eten klaar voor vrouwlief dus als die s’avonds thuiskwam stond haar avondmaal netjes klaar. Hierdoor was het altijd mijn beurt, behalve in het weekend want dan verrekte ik het om ook maar één pan aan te raken of zelfs maar te helpen met afwassen; hier kent zelfs het beste huwelijk zijn beperkingen.

 

 

Terug naar de stoofpotten want daar zou ik het vandaag over hebben, ik schets nu even de sfeer: borreltje met ijs ingeschonken en Armin van Buren wakker geschud en ik dein lekker mee terwijl ik de aardappels bijna fileer om ze zo van hun bonkige jas te ontdoen en ook de achtergebleven pitjes eruit peuter waarna ik de piepers vierendeel. De bloemkool snij ik in keurige hapklare rozetjes en kook de hele zaak gaar. Ondertussen liggen er ook vier karbonades te sudderen en dat alles tegelijkertijden in een strak schemaatje omdat aan het einde van deze kooksessie de zaak in één keer opgediend dient te worden.


Nu ben ik gewend om als de karbonades klaar zijn de jus met water te blussen en zet daar alvast een glaasje met een laagje water voor klaar. Op het moment suprème kieper ik het water erin en roer de zaak goed door waarna ik het gas uitdraai. Tijd voor nog een slok jenever.

Gadverdamme: water??????? Ik keek nog eens goed en constateerde dat ik de jus met de jenever had geblust. Binnen zaten een stel hongerlijers op tafel te trommelen: honger – honger – honger …

 

Ik besloot niets te zeggen en zette met een uitgestreken gezicht alles op tafel. Het leken wel piranha’s want eer ik goed en wel op mijn plek zat had de eerste zijn bord alweer leeg en daarbij lag toch de inhoud van alle pannen netjes verdeeld op ieders bord. De lof die ik kreeg toebedeeld bestond uit het feit dat alles weer schoon op ging, en niet één opmerking werd geplaatst over het alcoholpercentage in de jus; ik was gered maar het was wel jammer van m’n borreltje.

 

Na afgeruimd te hebben keek ik nog eens naar het tafereel. Twee lagen er onderuit op de bank en eentje op de grond, allemaal met hun broek los lagen ze, naar het gesnurk te oordelen vredig uit te buiken. 

Verwennen? Ach, liefde maakt soms blind.

 

 

 

 ©Prlwytskovsky.

88888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888888

 

 

                DIAL ALARM......


Mensen in nood doen rare dingen, dat is bekend. Maar rare dingen kom je ook tegen als je in nood verkeerd en hulp nodig hebt. Jij verkeerd bijvoorbeeld in nood en kan nog maar net bij je mobieltje komen en begint de alarmlijn te bellen …

 

Tik – tik – tik …….. tuuuut – tuuuut … al onze medewerkers zijn in gesprek, heeft u vragen kies1, bent u beroofd kies 2, bent u gewond kies 3, voor overige vragen kies 4.

 

Tikt 4 …. Tuuut – tuuut … al onze medewerkers zijn in gesprek, heeft u ergens pijn kies 1, is er een ledemaat gebroken kies 2, kunt u niet meer bewegen kies 3, voor overige vragen kies 4.

 

Tikt 4 …. Tuuut – tuuut … al onze medewerkers zijn in gesprek, heeft u pijn in de rug kies 1, heeft u pijn in de buik kies 2, heeft u pijn in de borst kies 3, voor overige vragen kies 4.

 

Tikt 3 …. Tuuut – tuuut … al onze medewerkers zijn in gesprek, heeft u pijn in de bovenarm kies 1, heeft u een drukkende pijn op de borst kies 2, bent u nog bij kennis kies 3, bent u blauw aangelopen kies 4.

 

Tikt 4 …. Tuuut – tuuut … al onze medewerkers zijn in gesprek, u wordt zo spoedig mogelijk geholpen …….. al onze medewerkers zijn in gesprek, u wordt zo spoedig mogelijk geholpen …….. al onze mede …… “goedenavond, u spreekt met de hartbewakingsdienst. Wat kunnen wij voor u doen?” Tuuut-tuuut-tuuut-tuuut …..

“Hm, weer zo’n vandaal: eerst de hartbewakingsdienst bellen en dan niets zeggen.”

 

©Prlwytskovsky

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Lentekriebels, de buurvrouw en een parkeerwachter.

 

De karretjes waren hartstikke op bij mijn geliefde buurtsuper en dat betekent meestal een drukte van jewelste. Toevallig kwam er iemand aanstrompelen met een over beladen kar met voer, geduldig wachtte ik tot de inhoud was verwijderd en ik er met het karretje vandoor kon om vervolgens op te gaan in de massa tussen de schappen.

Zo gek kon ik het niet verzinnen of het was aanwezig, een verschijnsel dat ik kort geleden niet als zodanig kon verwoorden maar daar heb ik al eens een verhaal over geschreven. In no-time stond ik weer buiten in de volle lente zon, en ik had het me daar naar me zin zeg.

 

Om de hoek bij de bloemenboer liep ik een buurvrouw bijna letterlijk tegen haar heerlijke lijf, een buuf die eigenlijk nog nooit door mij is beschreven. Ze heeft een speciaal plekje in mijn hart maar het lot heeft altijd voor ons beslist dat wij elkaar op verkeerde momenten ontmoetten.

 

Ik vertel dit nu even in het volste vertrouwen aan jullie, hè, dat dit dus even onder ons blijft en niet wereldkundig wordt.

 

Vandaag leek het helemaal anders te verlopen want ze bleef staan en praatte met mij terwijl ik een blik wierp op haar mooie donkerblauwe ogen en ze rook me daar lekker ….. whoooowhhh.

 

In een ver verleden had ik haar eens zover gekregen dat ze mijn toenmalige optrekje durfde te betreden alwaar wij samen een fles met een ondefinieerbare inhoud ontkurkte, decanteerde en soldaat maakte. Daarna heb ik haar nooit meer gezien. Lag dat aan de wijn of tarten wij destijds ons lot met dit Bacchanaal?

 

Ik gaf aan dat er altijd een flesje wijn in voorraad is omdat je immers nooit weet wie er aanbelt. Ze lachte al haar tanden bloot, godallemachtig wat een heerlijke aanstekelijke lach spreidde zij ten toon inzake deze opmerking van een heikneuter als ik.

Buufje zweefde weg, ik keek om en zag haar zich voortbewegen; ja zweven is een beter woord. Mij ondertussen in trance achterlatend. Maar degene die zweefde was ik zelf omdat ik bijna van de stoeprand af lazerde en tussen de geparkeerde auto’s belandde maar net op tijd wist ik mijn roer te houden en begaf mij met een gevoel van zeer groot welbehagen naar mijn Peus.

 

Deze euforie was van korte duur want 3 auto’s voor mijn scheurijzer zag ik een figuur die iets stond op te schrijven om vervolgens het geel gekleurde afscheursel onder de ruitenwisser van het betreffende voertuig te stoppen. Alarm dus en ik rende het laatste stukje naar mijn vervoermiddel, smeet de volle tassen naar binnen, startte en wilde wegscheuren.

Op dat moment kwam die galbak tussen de andere auto’s vandaan, noteerde mijn kenteken en keek mij hierbij met een valse blik aan; dat terwijl ik mij al op de rijweg voortbewoog. Ik probeerde nog iets leuks door mijn schouders op te halen en er raar bij te kijken, iets dat voor mij niet moeilijk is, maar die rotkop keek steeds chagrijniger. Toen hij met grote halen mijn bon uitschreef gaf ik volgas en kon het niet laten

om bij wijze van groet mijn vuist te ballen en tegen hem op te heffen; een daad die door deze gendarmerist hoogstwaarschijnlijk verkeerd zal worden uitgelegd.

 

Eenmaal thuis deed ik de buitendeur open en een heerlijke temperatuur kwam mij tegemoet, vergezeld met de nodige zonnestralen. Het is lente zowel buiten als tussen mijn oren. Even dacht terug aan mijn buufje, een gedachte die lentekriebels verhogend werkt.

Ondertussen poets ik alvast de wijnfles op want je weet maar nooit.

 

©Prlwytskovsky.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

                            Hop, naar de Kolonie.

 

Wij hadden een ‘juf’ op de lagere school, op de Prinses Marijke school in Schiedam. Een lekker ding, zo beoordeelden wij haar destijds als negen jarige mannen al. Riek Visser heette ze, en zij woonde in de Loefstraat op kamers. Ooit ben ik eens bij haar geweest op dat kamertje. Een glas limonade schonk zij voor mij in en zij praatte tegen mij, tegen dat kleine Prlwytskovsky’tje.

 

Het was een warme zomerdag in 1956 en haar balkondeur stond open. Een bed en een bureau stonden er, meer ruimte had zij niet daar op dat kamertje; in de Loefstraat. Vanaf de Mgr. Nolenslaan genomen het eerste portiek aan de rechter kant, op de derde etage links. En vanaf de Burgermeester van Haarenlaan gemeten in het laatste portiek, links welteverstaan. Maar dat zal de gemiddelde lezer toch een worst zijn.

 

Zij stond voor onze vierde klas en zij kon vertellen jongens ……: heerlijk!

Met open mondjes zaten wij aandachtig te luisteren en te kijken hoe haar rood gestifte lippen bewogen om woorden te formuleren die zij uitsprak als zij voorlas uit Pietje Bel. En denk daar niet te min over hoor, want wij zaten destijds met 41baldadigen in haar klas en die waren alle 41 doodstil. Groot compliment voor Riek dus.

 

Maar dan breekt er een moment aan dat er klasgenootjes een tijd lang van school af gaan. Waarom? Vroegen wij ons af. Riek legde dit haarfijn aan ons uit.

“Kijk”, zei ze: “er zijn kinderen die extra voeding nodig hebben en daarom gaan zij naar een kolonie om aan te sterken. Veel extra- en gezond eten om gezonder en sterker te worden, en om er niet meer zo magertjes en doorschijnend uit te zien.”

 

Wij begrepen haar.

 

Zo’n kolonie duurde wel zes weken en sommige klasgenootjes kwamen nooit meer terug. Waren hun ouders verhuist of wat…? Riek wist dit ook niet.

Wat Riek wel wist was dat zij je het gevoel kon geven, en kon uitleggen dat een kolonie fijn was, iets moois was; iets fenomenaals. Zij vertelde het op een manier dat wij ook naar een kolonie wilden. Thuis zeurde ik mijn moeders kop gek omdat ik dat ook wilde, maar nee: ik was te gezond zei ze. “Dat is alleen voor kinderen die honger hebben.”

“Maar ik heb ook honger.” Probeerde ik nog maar helaas …

 

Opmerkelijk dat ik vandaag op Twitter het item ‘Kolonie’ voorbij zag komen en daarom terugdacht aan die tijd, aan mijn schooltijd, aan juf Riek en aan het aantal Peter ’s die in onze klas zaten.

 

Daarom een ode aan onze juf Riek Visser, aan mijn vriendjes en naamgenootjes Peter Loekemeijer, Peter van der Wel en alle klasgenootjes van de vierde klas van de lagere school.

 

 

©Prlwytskovksy.

 

©Prlwytskovsky.

 

 

                        Een momentopname.


 

In de hal, naast de toegangsdeuren, staat hij te kijken. Voorbijgangers zien hem niet staan, maar hij knikt en zwaait naar hun. Mensen komen binnen en zoeken hun weg bij het bellenblok. Behulpzaam loopt hij er op af en wil helpen maar ze kijken hem niet aan en geven hem geen woord.


Treurig kijkend loopt hij terug naar de schuifdeuren, met zijn handen diep in zijn zakken.

“Ach meneer,” praat hij tegen mij: “de mensen praten niet meer tegen je. Ze leven hun eigen leven en zien niemand meer staan.”

 

De man op leeftijd, die verder niets te doen heeft dan andere mensen te helpen, loopt doelloos door de hal. Hij haalt zijn handen uit zijn zakken, doet ze op zijn rug en ijsbeert door de hal; van het bellenblok naar de toegangsdeuren en terug.

 

Er komt een opgeschoten knul uit de lift. Knul zeg niets en kijkt niet eens. In zijn eigen wereld levend loopt hij naar buiten; de echte wereld binnen.

 

De man vergeet mij en staart doelloos in het niets.

 

 

 ©Prlwytskovsky.

 

   

Peter

Aangenaam, Prof. Peter Prwytskovsky is zijn naam

Hij kan zo goochelen met woorden

zodat wij hem hem vroegen

of hij ook op onze site zijn verhalen en gedichten

in zijn eigen hoekje zou willen neerpennen,

dus lees hier zijn ware kunstwerken

peter-prwytskovsky1.large.jpg